Schaf de naam vmbo af, de reputatie is toch niet meer te redden

Het vmbo staat te boek als restonderwijs: vooral een school voor andermans kinderen, het zwarte schaap van de onderwijsfamilie. In februari van dit jaar riep onderwijsminister Arie Slob ouders op het vmbo niet meer koste wat het kost te vermijden. En de commotie rond de stichting Limburgs Voortgezet Onderwijs in Maastricht afgelopen week maakt het beeld niet veel rooskleuriger. Ze heeft de zaken dusdanig slecht op orde, dat het eindexamen van 354 leerlingen ongeldig is verklaard. Niet voor niets wordt gesproken over een crisis in het middelbaar onderwijs: ‘vmbo’ wordt gezien als een belastend stempel.

60% beroepsbevolking volgde vmbo

Zestig procent van de huidige actieve beroepsbevolking heeft ooit onderwijs gevolgd op het vmbo of een van diens voorlopers. De prestaties van het vmbo worden overwegend goed gewaardeerd, niet in de laatste plaats door de onderwijsinspectie. Het vmbo is de rode loper naar werk. De opleidingen techniek bieden de grootste kansen op de arbeidsmarkt, maar tragisch genoeg lopen de kwaliteit en de beeldvorming niet in de pas: de leerroutes voor kantoorbanen zijn het populairst. En dat tekent hoe wij in onze prestatiemaatschappij denken over leren. Theorie gaat boven praktijk, kennis boven vakmanschap, hoger boven lager onderwijs. Zo leggen ouders veel druk om hun kinderen naar een hoog schoolniveau te sturen, waarmee ze ongewild bijdragen aan de onzekerheid van dan aan de ontwikkeling van hun kind.

Afzakken naar vmbo

De beeldvorming rond het vmbo wordt getekend door het ‘watervalprincipe’. Ouders, leerkrachten en leerlingen maken nog altijd het onderscheid tussen ‘hogere’ en ‘lagere’ richtingen, en spreken consequent over ‘afzakken’: eerst een wetenschappelijke richting proberen of het hbo en pas als het daar niet lukt, kan je nog altijd afzakken naar een technische richting of uiteindelijk het beroepsonderwijs. Vooral hoogopgeleide, blanke ouders in de grote steden menen dat hun kind faalt als het kader wordt aangeraden: dat zou een smeltkroes zijn van iedereen die niet kan leren, de laagste trede van de onderwijsladder. Veel vmbo-leerlingen krijgen zo de indruk dat ze dom zijn, met als gevolg dat de neerwaartse spiraal in stand blijft.

Diffuse positionering

Het vmbo werd ooit bedacht vanachter de tekentafel. Vóór de invoering werd Nederland internationaal geprezen om de hoge mate van gelijke kansen in het onderwijs. Inmiddels blijkt niet langer intelligentie, maar sociale achtergrond de meest bepalende factor voor succes in het onderwijs.

Vmbo-scholen zijn multidisciplinair ingericht: anders dan bij havo’s en vwo’s is maatwerk het doel, met een combinatie van praktijk en theorie. Er zijn grote scholen waar alle leerwegen gevolgd kunnen worden, en kleine voor één of enkele niveaus. Er zijn ook scholen waar alleen vmbo-tl (mavo) wordt aangeboden naast havo en vwo. Bovendien zijn er maar liefst vier ‘leerwegen’, van heel praktisch tot vooral gericht op kennis. Er is de basisberoepsgerichte leerweg (vmbo-bl of vmbo-basis), de kaderberoepsgerichte leerweg (vmbo-kl of vmbo-kader), de gemengde leerweg (vmbo-gl) en de theoretische leerweg (vmbo-tl oftewel mavo). De positionering van het vmbo is daarmee diffuus. De identiteit is minder duidelijk dan bij havo, vwo of gymnasium. Je weet niet wat je krijgt.

Wangedrocht

Hoe divers de opleidingen binnen het vmbo ook zijn, de leerlingen gaan allemaal gebukt onder het stigma van een negatieve selectie: ze konden niet naar de havo of het vwo. Met de wijsheid van nu beschouwd, is de samenvoeging van het lagere beroepsonderwijs (vbo) en mavo niet wijs geweest. Als je verschillende schooltypen samenvoegt met daarbij ook nog probleemleerlingen, zullen deze laatsten het beeld bepalen. Het hele mbo wordt nu vergeleken met het laagste niveau, waar kwetsbare jongeren met beperkingen zitten die extra begeleiding nodig hebben: taal- en leerachterstanden of gedragsproblemen. Zo’n schooltype komt doorlopend negatief in de aandacht, en dat heeft iedereen kunnen zien. Dit is niet alleen voer voor commerciële bijlesinstanties, maar versterkt ook de beleefde ongelijkheid in de samenleving. Het is tragisch dat een behoorlijk functionerend schoolsysteem destijds is ingeruild voor dit wangedrocht.

Radicale breuk nodig

Er zijn keuzes nodig om het vmbo een duidelijker positionering te geven. Noem scholen die vmbo-onderwijs geven weer gewoon mavo en lts of ‘vakmanschapsscholen’ en benadruk het eigen karakter van de verschillende opleidingen. De oude namen zijn herkenbaarder dan het diffuse ‘vmbo’. En: schaf de naam ‘vmbo’ af. Alleen een radicale breuk met het stigma kan er immers voor zorgen dat er aan het eind van de basisschool niet alleen winnaars en verliezers zijn, maar dat alle leerlingen een vervolgopleiding kiezen die aansluit bij hun talent en mogelijkheden.

Als niet wordt gekozen voor een betere positionering, zal het middelbaar beroepsonderwijs nooit een beter aanzien krijgen.

Dit artikel verscheen eerder op de website adformatie.nl